(h)eerlijk eten: vieze hippie leest vrij nederland

De Vrij Nederland van deze week is een themanummer, geheel gewijd aan de verschillende mogelijkheden tot eerlijk en (tóch) smakelijk eten. Ik las haar in de Fyra naar Rotterdam. Vanwaar deze informatie? Omdat de Fyra langs broeikassen rijdt. Heel erg veel kassen.

Dat heeft iets sips. Tegen beter weten in, stel ik mij óók bij supermarktgroente nog steeds voor dat het ergens uit de ruwe Hollandse aarde is getrokken, op een gezellige tractor naar de supermarkt is vervoerd, alwaar jonge pubers het met liefde in mooie dozen plaatsen. Het idee dat de komkommer in mijn ‘Goedemorgen Vieze Hippie’-glas uit een glazen hok komt, of een hele vliegreis erop heeft zitten, daar denk ik liever niet te diep over na.

Juist dit soort onderwerpen komen in de VN uitgebreid aan bod. Zo zijn de indrukwekkende foto’s van Klaus Pichler prachtig afgedrukt op acht pagina’s, met een bijschrift (“Eenderde van al het eten op de wereld wordt verspild . . . 1490 liter water [is] nodig om één watermeloen te produceren”) dat er niet om liegt. De vraag is wel: kan dit de lezer werkelijk raken? Michael Hanlon schrijft in zijn stuk over kweekvlees (eerder gepubliceerd in de Guardian):

alles wijst erop dat wat de consument betreft prijs, smaak en veiligheid – min of meer in die volgorde – het leeuwendeel van zijn voedselaankopen bepalen. Ten slotte willen maar weinig mensen al te precies weten hoe hun dagelijkse vlees is geproduceerd.

Jonge yuppen en vieze hippies

Tegelijkertijd ken ik een veganist die graag wil leren hoe dier tot vlees verwerkt wordt, een vegetariër die dode dieren bestudeert, en een vleeseter die gehele varkens van neus tot staart bereidt én opeet. Jonge yuppen en oude hippies, concludeert wildplukker Edwin Florès: “Die zijn gefascineerd door de natuur omdat ze die in de stad niet hebben.”

Niet helemaal waar. Ik groeide op in een dorp onder Amersfoort, midden tussen de koeien (ze staan letterlijk een minuut lopen van mijn nieuwbouwwoonwijk), bossen en militair gebied. Soms kauwde ik op een grassprietje (in mijn Lucky Luke-fase), maar pas in de afgelopen jaren, door de kennismaking met de YFM, ben ik me gaan interesseren voor dergelijke dingen. Interesse voor de natuur lijkt mij niet iets wat opkomt als je erdoor omringd bent, maar juist iets waarvan je het belang moet leren inzien.

Het artikel over wild eten, oftewel foerageren, is wel ontzettend interessant. Het beschrijft de passie en het werk dat achter lokaal en zelfgeplukt eten zit, en schuwt daarbij de kritiek op Nederlandse kleinburgerlijkheid niet: “Hier is iedereen als de dood om paddenstoelen te eten uit angst voor giftige exemplaren en voor de boswachter,” zoals Sander Overeinder zegt. Hij runt Restaurant As in Amsterdam, waar hij bijvoorbeeld gebruikt maakt van vlierbloesem, duizendblad en wilde tulpen uit het aangrenzende Beatrixpark. In de achtertuin staat bovendien een varken dat de restaurantresten opeet, en in de herfst wordt geslacht voor een, daar is ‘ie weer, kop-tot-staart menu.

Aan het einde van het artikel staat plotseling dat Partij voor de Dieren protesteerde bij restaurant de Pronckheer toen deze wilde gans op de kaart had staan. Vreemd, gezien dit juist de meest diervriendelijke manier van vlees zou moeten zijn, aldus chef en eigenaar Arjen Smit. PvdD schrijft zelf dat de actie voortkwam uit onbegrip, gezien wilde ganzen een beschermde status genieten. Daar gaat het artikel verder niet op in.

En dat is helaas wel typerend voor dit themanummer: waar de morele achtergrond van productie, servering en transport ruim aan bod komt, is de opmaak van ons bord niet met eenzelfde kritische blik bekeken. Waar is het stuk dat een verse blik werpt op het plantaardig dieet, en de groeiende populariteit ervan? Of het nu genetisch, biologisch of wild is, de hoeveelheid en manier waarop wij het eten maakt wel degelijk uit.

On(der)geïnformeerd

Dat is vooral pijnlijk duidelijk in Groene Sprookjes, waarin  5 ‘mythen’ over biologisch eten onder de loep worden genomen. Na uitvoerige bestudering van de zogeheten mythen, onderzoeken en argumenten, kan ik maar twee duidelijke conclusies trekken:

  1. Auto’s zijn ontzettend slecht voor het milieu.
  2. Vlees is ontzettend slecht voor het milieu.

Jammer dat daar dan niet wat meer mee (of tegen?) gedaan is door de redactie. Op deze manier wordt de biologische industrie problemen toegedicht die door het globale voedselsysteem en de westerse levenswijze veroorzaakt zijn. En dan hebben we nog niet eens gesproken over het verschil tussen biologisch en bio-dynamisch eten, dat in het artikel niet ter sprake komt.

Maar laten we het nog even over mythe 5 hebben: Biologisch eten is lekkerder. Niet waar, zegt Nieuwenhuis:

Een biologische kip van een goed ras die geleefd heeft zoals in grootmoeders tijd normaal was, smaakt onmiskenbaar beter dan een industriële plofkip. Maar de smaakverschillen tussen een Puur&Eerlijk kippenbout van de Albert Heijn en een reguliere in dezelfde winkel zijn een stuk kleiner. En het verschil tussen biologische en gewone gehaktballen is verwaarloosbaar.

Juist, daarom mijden we dus ook de supermarkt. Het eko-stempel alleen maakt geen verschil; je zult toch echt buiten de Albert Heijn moeten gaan denken, wil je verschil zien in milieu, gezondheid en smaak. En ja, smaken verschillen, maar dat Amerikanen chemische sinaasappelsap prefereren overtuigt toch niemand? Sinds wanneer geldt het Amerikaans smaakpalet als een betrouwbare graadmeter?

Passie! Passie!

Gelukkig wordt dat stukje ongeinformeerde journalistiek opgevolgd met een katern jonge idealisten. De YFM werd weer mooi vertegenwoordigd door Samuel Levie (“Ik houd niet van abstract gelul”), maar ik leerde er ook een nieuwe, hele vette ondernemer  kennen: Sjim Hendrix. Deze jongeman is kunstenaar en kok, en gefascineerd tussen de spanning tussen armoede en rijkdom die eten oproept: “Iedereen stopt de hele dag gerookte zalm in zijn mik, terwijl die naar antibiotica en modder smaakt. Maar dat weet niemand, omdat ze de smaak van wilde vis niet kennen.”

Jammer dat Diny Schouten (65) en Hendiche Abdulaziz (68) er niet tussen mochten. De leeftijd maakt toch niet uit, het gaat om bevlogenheid en passie – waar die twee voldoende aan hebben. Hendiche verbouwt sinds 1969 groenten in zijn eigen tuin, en is van plan daar nog lange tijd mee door te gaan. Ook Diny zal handgemaakte patés blijven maken tot ze erbij neervalt. Haar reflectie op haar leven en carrierekoerswijziging sprak mij, als jonge onbezonnen literatuurwetenschapper, eveneens aan:

Zo heb ik ooit vol pretenties taalkunde gestudeerd, inclusief van die Chomskyaanse onzin. Als je schrijft, en het is onzin, dan staat daar geen straf op, maar – en dat is nou het mooie van dit ambacht – als ik in dit werk iets niet begrepen heb, krijg ik onmiddellijk straf. . . . Iets met de hand maken en daar tegelijkertijd je verstand bij gebruiken is zo veel fascinerender dan al die onzin die ik op de universiteit heb geleerd.”

Dat wil niet zeggen dat deze VN de wetenschappelijke en litteraire kanten schuwt, in tegendeel. Lees bijvoorbeeld over het diner à la auteurs (Dumas, Balzac, Zola), de (groeiende?) populariteit van kookboeken, belangenverstrengelingen bij de EFSA en oh ja, een interview met Michelin chef Alain Passard dat zo verdomde interessant is dat ik er niet eens citaten uit ga plukken – je moet het gewoon helemaal lezen.

MAAR de vieze hippie is een langzame lezer, en het kostte haar vier dagen om het dikke nummer door te werken. Dit betekent dat de nieuwe Vrij Nederland (over Kopland!) morgen al in de schappen ligt. Dat betekent dat je nu de hitte moet trotseren op je plakkerige zadel om nog een exemplaar te bemachtigen. Dan kun je er daarna lekker mee in het opblaasbadje gaan zitten.

Advertenties